Boek: Bestaat de hel?, Francis Chan (II)

7 april 2012

In deze serie blogposts wil ik inhoudelijk reageren op het boek Erasing Hell van Francis Chan en Preston Sprinkle. Het boek wordt in Nederlandse vertaling uitgegeven bij Uitgeverij Medema onder de titel Bestaat de hel?

In dit tweede deel van de serie ga ik in op hoofdstuk twee van het boek.

Het boek van Chan is een reactie op het boek Love Wins van Rob Bell, in Nederlandse vertaling uitgegeven bij Uitgeverij Kok onder de titel En het meeste daarvan is de liefde.

Erasing Hell is vooral een aanval op de leer van de alverzoening. In het eerste deel van deze serie heb ik vooral gereageerd op het eerste hoofdstuk van zijn boek. In dat hoofdstuk probeert Chan af te rekenen met alle Bijbelteksten die zouden leren dat God alle mensen wil redden.

Lees de bijbel in de context van die tijd

In hoofdstuk twee beschrijft Chan wat volgens hem in de eerste eeuw gedacht werd over de hel. Hij vestigt de aandacht op de vraag welk beeld wij van de hel hebben en waar dat beeld vandaan komt. Chan stelt dat we moeten onderzoeken welk beeld van de hel er in de eerste eeuw was en hoe Jezus daarop reageerde.

Dat is een uitstekend uitgangspunt. Er zijn veel dingen in de bijbel waarbij wij een bepaald plaatje hebben ontwikkeld en waarvan het maar de vraag is of ze in die tijd ook zo begrepen werden. We moeten niet alleen ons beeld bij de straf van God bijstellen, maar ook onze aannames over de betekenis van bepaalde Griekse woorden, onze theologische ideeën over uitverkiezing, enzovoorts. Om te begrijpen wat een tekst toen betekende moeten we het denken van die tijd bestuderen.

Wat geloofden ze toen over de hel?

Chan stelt in hoofdstuk twee onmiddellijk dat de hel als plek van vernietiging of eindeloze straf in de eerste eeuw zo ingeworteld was dat Jezus, als hij iets anders geloofde, niet anders zou kunnen dan zich distantiëren van dit standpunt. Om dit te onderbouwen beschrijft Chan een aantal beelden van de hel uit de Joodse literatuur in die tijd. Zijn overzicht is nuttig en interessant, maar ook erg eenzijdig.

Bovendien toont Chan weinig aan, terwijl hij wel veel suggereert. Uit al die citaten is vooral duidelijk dat er veel verschillende ideeën waren over het leven na de dood. Er werd geschreven over vuur, duisternis en jammerklachten. Sommigen geloofden in het verdwijnen van de ongelovigen, anderen in een eindeloze straf.

Uit de teksten wordt enkel duidelijk wat sommige Joodse leraren leerden en wat sommigen geloofden. Er zijn geen teksten die overzichtelijke eenduidige achtergrondinformatie geven. We weten niet wat het gewone volk geloofde en welke andere groeperingen er waren. Wel schrijft Josephus dat twee groeperingen, de Farizeeën en de Essenen, geloofden in een eindeloze straf en dat een andere groep, de Sadduceeën, niet geloofde in een leven na de dood.

Ook weten we uit de Talmoed over de school van Hillel en over de school van Shammai, beiden tijdgenoten van Jezus.

Volgens de school van Shammai zijn er drie groepen bij het oordeel: rechtvaardige mensen, kwaadaardige mensen, en mensen tussenin. De eerste groep krijgt onmiddellijk eeuwig leven in Gan Eden, de tweede groep gaat voor altijd naar Gehinnom (op grond van Daniël 12:2), en de derde groep gaat naar Gehinnom en komen er weer uit (op grond van Zacharias 13:9) [Babylonische Talmoed, Rosh Hashanah 16b-17a].

Volgens de school van Hillel gaat ook de derde groep direct naar Gan Eden. Rabbi Hanina voegde hieraan toe dat, op enkele uitzonderingen na, allen uit de tweede groep ook weer uit Gehinnom zullen komen, maar Hanina leefde in de derde eeuw na Christus [Babylonische Talmoed, Baba Metzia 58b].

Zie ook deze discussie, deze site en deze blog.

Over het oordeel en de aard van het paradijs (in Gan Eden) en van de straf (in Gehinnom) is in die tijd dus geen duidelijke consensus, ook al wil Chan dit wel suggereren.

Gehenna

Wat Chan schrijft over Gehenna is een echte eye-opener.

De suggestie dat met Gehenna een vuilnisbelt werd bedoeld voegt weinig toe aan een betoog voor alverzoening, maar het klonk altijd als een aannemelijke uitleg die suggereerde dat de Gehenna in de eerste eeuw geen speciale betekenis had zoals een hel of een straf van God. Het is jammer dat Bell deze mythe over Gehenna zo centraal zet in zijn betoog. Chan toont wat mij betreft aan dat deze uitleg niet onderbouwd kan worden en laat ook zien dat Gehenna gebruikt werd voor de plaats waar onrechtvaardigen heen gaan.

Dat betekent niet dat Gehenna per definitie als een plaats van eindeloze straf gezien werd. Er was geen consensus over de vraag wat daar gebeurde en hoe lang. In de eerste eeuw was er discussie over de onsterfelijkheid van de ziel, over de vraag of die onsterfelijke ziel ook een nieuw lichaam zou krijgen, of alleen rechtvaardigen of ook onrechtvaardigen een nieuw lichaam zouden krijgen, of er een oordeel zou zijn en wat dat zou inhouden, of de straf permanent was of maximaal 12 maanden duurde, of de onrechtvaardigen daarna naar het paradijs zouden gaan of vernietigd zouden worden, enzovoorts.

Conclusie

In hoofdstuk twee onderbouwt Chan vooral dat Gehenna in de eerste eeuw niet begrepen werd als een vuilnisbelt maar als een van de mogelijkheden van Gods oordeel na de dood. Rob Bell legt in Love Wins veel nadruk op het idee dat Jezus het telkens heeft over deze vuilnisbelt en Chan ontkracht dit.

Het is redelijk om aan te nemen dat Gehenna een verwijzing is naar de plek waar onrechtvaardigen terechtkomen, maar de suggestie dat dit een ingeworteld concept was, waarover een duidelijke consensus was, is onjuist.

Advertenties

Boek: Bestaat de hel?, Francis Chan (I)

11 maart 2012

In deze serie blogposts wil ik inhoudelijk reageren op het boek Erasing Hell van Francis Chan en Preston Sprinkle. Het boek wordt in Nederlandse vertaling uitgegeven bij Uitgeverij Medema onder de titel Bestaat de hel?

Het boek van Chan is een reactie op het boek Love Wins van Rob Bell, in Nederlandse vertaling uitgegeven bij Uitgeverij Kok onder de titel En het meeste daarvan is de liefde.

Erasing Hell is niet alleen een reactie op Love Wins, maar vooral een aanval op de leer van de alverzoening.

Dit eerste deel in de serie is een bespreking van het eerste hoofdstuk van Chan’s boek, waarin Chan probeert af te rekenen met alle Bijbelteksten die suggereren dat God alle mensen redt. Deze bespreking is voor een deel geïnspireerd door de weblog van Alice Spicer, www.whatgoddoes.com.

Chan bespreekt eerst kort zijn visie op de geschiedenis van het christelijk universalisme. Zoals Alice Spicer al schreef, is zijn bespreking heel eenzijdig. Zo weten we uit de literatuur dat veel meer kerkvaders dan alleen Origenes alverzoening leerden en dat hij zeker niet de eerste was, dat de leer van Origenes onder hele verdachte omstandigheden eeuwen later pas is verketterd, en laat Chan ‘voor het gemak’ maar weg dat de reden dat 1600 jaar lang weinig belangrijke theologen alverzoening hebben geleerd is: de vervolging door de kerk zelf.

Het is heel vreemd dat Chan in een boek tegen alverzoening direct aangeeft maar een paar teksten te bespreken die de visie van alverzoening onderbouwen, omdat hij er geen tijd en ruimte voor heeft in het boek. Natuurlijk is het niet nodig om in vele honderden pagina’s grondig alle ins en outs van elke tekst te bespreken, maar de beperkte aandacht die Chan er in dit boek aan wil geven is een ander uiterste.

Filippenzen 2:9-11

In Filippenzen leert Paulus dat iedereen zal belijden dat Jezus Heer is, tot eer van God de Vader. Volgens Chan is er enkel sprake van erkenning: niemand kan dan ontkennen dat het een feit is dat Jezus over alles regeert. Iedereen zal dan dus dat feit erkennen. Dat staat natuurlijk haaks op de tekst in 1 Korintiërs 12:3 waar staat dat niemand kan zeggen dat Jezus Heer is dan door de heilige Geest. Ook is het maar de vraag of dat ‘erkennen’ net zo tot eer van God zou zijn als een oprecht belijden door alle mensen tot eer van God zal zijn. In de tekst staat ook niet ‘erkennen’ zoals Chan suggereert, maar ‘belijden’.

Volgens Chan moeten we Filippenzen zo interpreteren omdat Paulus verwijst naar Jesaja. In Jesaja staat het nog sterker: ‘elke tong zal bij Mij zweren’. In Jesaja 45:24, het vers dat erop volgt, staat ook niet dat dat er oordeel is voor wie zich tegen God heeft verzet, zoals Chan beweert, maar dat zij beschaamd zullen staan. Dit sluit alverzoening niet uit. Uiteindelijk verwijst Chan in een voetnoot naar een scheiding aan het eind van Jesaja, meer dan 20 hoofdstukken verderop, om te ‘bewijzen’ dat er in Jesaja 45 een permanente scheiding zou zijn – een sprong van 20 hoofdstukken heeft met het lezen in de context niets te maken.

Zie verder ook deze post van Alice Spicer op http://www.whatgoddoes.com.

‘Allen’ in 1 Korintiërs 15:22

Om uit te leggen dat de vele teksten die in het Nieuwe Testament leren dat God alle mensen wil redden, niet die betekenis hebben, neemt Chan 1 Korintiërs 15:22 als voorbeeld en suggereert hij dat ‘op deze manier’ al die teksten een beperkte betekenis van ‘allen’ hebben. Het is belachelijk om op die manier alle teksten over één kam te scheren.

Volgens Chan betekent ‘allen’ in al die gevallen iets anders, bijvoorbeeld ‘alle gelovigen’. De voornaamste reden die hij aanvoert is dat het mogelijk is dat iemand ‘allen’ zegt maar dat uit de context duidelijk is dat er een beperking is. Als je op een feestje zegt dat je iedereen een drankje aanbiedt, dan bedoel je natuurlijk niet iedereen in de hele wereld die ooit bestaan heeft, maar iedereen die op het feestje is. Maar is deze redenering geldig voor alle teksten? Chan toont het niet aan en beperkt zich tot 1 Korintiërs 15:22.

Hier staat dat zoals door Adam allen sterven, zo door Christus allen levendgemaakt worden. In het vers daarop staat dat eerst Christus wordt opgewekt en daarna zij die aan Christus toebehoren. Chan redeneert vervolgens dat het tweede het eerste beperkt.

Maar dit is alsof je zegt dat je iedereen die op je feest is een drankje aanbiedt, vervolgens zegt dat je eerst je familieleden een drankje aanbiedt, en vervolgens beweert dat je met ‘iedereen’ eigenlijk bedoelde ‘alleen mijn familieleden’.

Waar het Paulus om gaat is de vraag of zij die in Christus gestorven zijn wel opgewekt zullen worden. Paulus getuigt dat Jezus Christus is opgestaan en dat ‘zoals in Adam allen sterven, in Christus allen levendgemaakt zullen worden’. Dus ook zij die al in Christus gestorven zijn. Maar wel in de juiste volgorde: eerst Christus en dán zij die aan Christus toebehoren.

In 1 Korintiërs 15 leert Paulus dus wel degelijk dat allen levendgemaakt zullen worden.

Zie ook deze post en deze post van Alice Spicer op http://www.whatgoddoes.com.

1 Timoteüs 2:4

Bij 1 Timoteüs 2:4, waar staat dat God wil dat alle mensen worden gered, stelt Chan de gebruikelijke vragen. Gaat het wel echt over alle mensen en gaat het wel echt over Gods wil?

Chan verdraait de betekenis van de tekst door te stellen dat het over alle soorten mensen gaat, zoals koningen en mensen in hoge posities. Dat maakt het er niet duidelijker op: bedoelt Paulus dan alle mensen uit alle soorten mensen of bedoelt hij sommige mensen uit alle soorten mensen? Paulus zegt in 2:1-2: “Bid voor alle mensen. Bid voor alle koningen en gezagsdragers opdat we rustig en ongestoord kunnen leven.” Gaat het dan over alle mensen (wat er staat), alle mensen uit alle soorten mensen, of sommige mensen uit alle soorten mensen? Volgens Chan blijkbaar dat laatste, en daarom zou Paulus ook in vers 4 niet letterlijk alle mensen bedoelen. Niet alleen staat het er niet in die woorden, maar is het heel vreemd om zo voor sommigen uit elke soort te bidden.

Bij Gods wil stelt Chan dat God bijvoorbeeld ook wil dat alle christenen een heilig leven leiden en daarin ook niet Zijn zin krijgt. Hij maakt een onderscheid tussen Gods moral will en Gods decreed will, waarbij Gods moral will weerstaan kan worden, waarbij Gods wil dat alle mensen worden gered behoort tot Gods moral will én waarbij Gods moral will dus nooit werkelijkheid hoeft te worden. De vergissing die Chan maakt is dat Gods moral will wél werkelijkheid zal worden, namelijk wanneer iedereen rechtvaardig is geworden en gerechtigheid heerst op de nieuwe aarde. Op dit moment verzetten mensen zich tegen Gods wil. Dat betekent niet dat we willekeurig van teksten over Gods wil kunnen zeggen dat God het niet echt wil, maar het volledig overlaat aan de medewerking van mensen. Een onderscheid tussen soorten wil van God is een kunstmatig onderscheid. Chan suggereert in een voetnoot dat het te maken heeft met het woord thelo (Grieks voor willen, verlangen), maar dan heeft hij blijkbaar 2 Petrus 3:9 niet goed bestudeerd, waar het woord boulomai (willen, besluiten) wordt gebruikt voor Gods wil dat niemand verloren gaat. Dat haalt zijn hele argument onderuit, maar hij maakt zich er gemakkelijk vanaf: “The point of 1 Timothy 2 and other passages like it, e.g. 2 Peter 3:9, is that God is […] not a racist.” Een creatieve interpretatie die niet gebaseerd is op de bijbeltekst, maar op de theologische vooronderstelling. De enige manier om dit te lezen is door woorden toe te voegen die er niet staan.

Heeft Paulus het hier over alle mensen? Ja, dat staat er en er is geen reden om het anders te lezen. Heeft Paulus het hier over Gods wil? Ja, en 2 Petrus 3:9 bevestigt dit.

Zie ook deze post van Alice Spicer op http://www.whatgoddoes.com.

Openbaring 21

Chan reageert ook op de suggestie dat de open poorten van het nieuwe Jeruzalem open zijn zodat wie zich bekeert de stad in kan komen, ook zij die eerst in de poel van vuur en zwavel zijn. Allereerst stelt Chan dat er geen reden is voor hoop op redding en dat er niets in de tekst staat dat suggereert dat de vuurpoel er is voor loutering. Dat is niet waar. Zwavel werd in die tijd gebruikt voor reinigingsrituelen en loutering, zeker brandende zwavel. Een poel van vuur en zwavel is voor een Griek uit die tijd niets anders dan een poel van goddelijke loutering. Chan stelt daarnaast dat alleen wie de kleren wast in de stad kan gaan en stelt dat dit alleen in dit leven kan. Dat doet hij op grond van Openbaring 7:14, maar uit die tekst valt niet af te leiden dat het niet na de dood mogelijk is om de kleren te wassen in het bloed van het Lam. Het dynamische beeld dat Johannes schetst gaat bij Chan volledig verloren.

Zie ook deze post van Alice Spicer op http://www.whatgoddoes.com.

Leert de bijbel een ‘tweede kans’?

Chan eindigt het hoofdstuk met de vraag of er teksten zijn die een ‘tweede kans’ leren. Hij kan ze niet vinden. Ze bestaan wel degelijk! Jezus leerde bijvoorbeeld een correctiestraf in Matteüs 25:46, een hele aparte woordkeus vergeleken met de woorden die de Farizeeën gebruikten. Ook Petrus gebruikt precies het woord voor een corrigerende straf in 2 Petrus 2:9. Daarnaast zou iedere Griek begrijpen dat een poel van vuur en zwavel in Openbaring 20:10-15 een louteringsvuur is.

En bovendien is er geen sprake van een ‘nieuwe kans’ (zie ook deze pagina) maar van een straf. Daarom is de deur gesloten in Lucas 13:25-28. De kans is geweest, nu volgen oordeel en straf. Maar dat is wel gericht op bekering.

Conclusie

Het eerste hoofdstuk van het boek van Chan is niets meer dan een matig beargumenteerd betoog. Weliswaar pretendeert hij mee te voelen met mensen die de hel erg vinden, maar hij laat niet merken ook maar te proberen om te zien dat in de bijbel staat dat God alle mensen wil redden. Hierdoor is zijn inleiding, waarin hij suggereert dat hij het zelf ook allemaal heel erg vindt en graag zou willen dat het anders was, weinig geloofwaardig.

In de inleiding schrijft Chan dat er veel op het spel staat: misschien gaan er wel mensen naar de hel als we beweren dat de hel niet eindeloos is! Veel mensen geloven oprecht dat wanneer God niet eindeloos straft, er geen enkele reden is om te geloven!

Afgezien van het feit dat er veel meer en betere redenen zijn om het goede nieuws van Christus te geloven… staat er niet net zo goed veel op het spel wanneer we mensen inprenten dat God een deel van zijn schepping eindeloos martelt of voor altijd vernietigt?

Paulus drukt ons in 2 Korintiërs 5:14-19 op het hart dat ons de verkondiging is toevertrouwd van het blijde nieuws dat door Christus God de wereld de zonden niet meer aanrekent, maar dat door Christus de wereld met God is verzoend.

Er staat veel op het spel: is God daadwerkelijk volmaakt goed en rechtvaardig en zijn echt alle gevolgen van zonde en dood overwonnen… of blijven dood, angst, verdriet en hopeloosheid voor altijd deel van de wereld?


Reactie op Henk Herbold

1 januari 2012

Op zijn weblog schreef Henk Herbold een artikel tegen alverzoening. Een korte reactie op enkele delen uit zijn betoog.

Een opmerking vooraf. Het betoog van Herbold is vooral dogmatisch en hij behandelt geen bijbelteksten die zijn betoog onderbouwen. Dat is jammer, maar er zijn voldoende aanknopingspunten voor een korte reactie.

Uiteraard is [het idee dat alle mensen behouden worden en de ‘eeuwige straf’ niet eindeloos is] goed bedoeld, maar de vraag is of de Bijbel dit leert en het antwoord is dan nee. Maar men kan niet geloven in een God die mensen eeuwig laat lijden. Dus gaat men op zoek in de Bijbel naar teksten die dit ondersteunen.

Herbold gelooft dat de bijbel duidelijk een eeuwige straf leert. Het is begrijpelijk dat hij daarom stelt dat ‘men’ in de bijbel teksten zoekt omdat men niet kan geloven dat de bijbel een eeuwige straf leert. Hij suggereert zo dat men de bijbel voor een karretje wil spannen, of in elk geval een deel van de bijbel wil negeren. Het spreekt voor zich dat dit geen goede manier is om met de bijbel om te gaan.

Maar als ‘men’ die teksten vindt, en er zijn er vele, dan is dat op zijn minst een reden om eens goed na te denken over die teksten die zouden leren dat de straf eindeloos is. Leren die teksten daadwerkelijk een oneindige straf? Volgens Herbold is dit het geval. Elders op deze site behandelen we bijbelteksten over Gods straf. Het blijkt dat veel teksten wel over straf gaan, maar dat deze straf prima opgevat kan worden als een tuchtiging. De bijbel leert alleen op enkele plekken een oneindige straf als het woord aionios een eindeloze tijd aan zou duiden en er zijn gegronde redenen om deze stelling te verwerpen. De bijbel leert dus niet zowel de redding van allen als een eindeloze straf voor sommigen.

Het idee dus dat alle mensen, hoe ze ook geleefd hebben, uiteindelijk toch door het geweldige werk van de Heer Jezus op Golgotha’s kruis behouden zouden worden, is natuurlijk heel aantrekkelijk. Dat is ook de reden dat er in deze tijd, waarin serieuze diepgaande bijbelstudie niet meer centraal staat, steeds meer aanhangers van deze valse leer komen.

Het is begrijpelijk dat Herbold suggereert dat er aanhangers van alverzoening zijn omdat het idee aantrekkelijk is en omdat diepgaande bijbelstudie niet meer centraal staat. Een van de doelen van deze website is om te laten zien dat de bijbel wel degelijk centraal staat bij de leer van de alverzoening. Dat het idee van alverzoening aantrekkelijk is wil ik niet ontkennen, maar dat is juist en alleen een reden om er serieuze diepgaande bijbelstudie naar te doen.

Want hoe populairder een bepaalde leer is hoe meer die leer daarmee bewijst rechtstreeks uit de hel afkomstig te zijn.

Deze uitspraak van Herbold is redelijk merkwaardig. Als we dit principe toepassen, moeten we dan niet juist de leer van de eindeloze straf veroordelen? Die is immers veel populairder dan de leer van de alverzoening!

Het kan nu eenmaal niet dat de zonden onbestraft zou blijven, daarvoor is de prijs die Jezus heeft betaald op het kruis van Golgotha, te hoog geweest.

Het is een valse lering dat voorbijgaat aan de toorn van God. De toorn van God die op iedere zondaar rust die zich niet wenst te bekeren van zijn zonden.

Herbold legt in zijn artikel vooral de nadruk op de toorn van God. Hij stelt dat God wel wil behouden, maar dat niet iedereen wordt behouden vanwege Gods toorn.

Het is absoluut belangrijk om serieus om te gaan met Gods toorn en met de gerechtigheid. De bijbel geeft zo juist hoop aan de vervolgende christenen: er komt gerechtigheid, de vervolgers zullen hun straf niet ontlopen!

Herbold stelt dat volgens de leer van de alverzoening de straf enkel een loutering is. Als het enkel een loutering zou zijn, hoe is er dan nog ruimte voor Gods toorn? Als het enkel een loutering zou zijn, betekent dit dan niet dat na een soort automatisch proces de ongelovige zonder geloof naar de hemel gaat?

De straf van God is dan ook niet enkel een loutering. Het is een tuchtiging. Die tuchtiging is een passende straf. Er is ruimte voor Gods toorn en voor gerechtigheid. God oordeelt rechtvaardig, niet onrechtvaardig.

Herbold eindigt zijn artikel door te stellen dat enkel Jezus bewaring is voor het komende oordeel. Inderdaad is er enkel verzoening door Jezus Christus. De straf is daarom meer dan enkel een loutering. Het is een middel waardoor mensen tot inkeer zullen komen en zich zullen bekeren.

Herbold gaat dus uit van verkeerde vooronderstellingen: dat ‘men’ niet serieus zou omgaan met de bijbel, en dat bij alverzoening geen ruimte zou zijn voor Gods toorn. Er is wel degelijk ruimte voor de toorn van God en er wordt wél serieus omgegaan met de bijbel.

Gaan aanhangers van de leer van de eindeloze straf eigenlijk wel serieus om met de hun toevertrouwde verkondiging dat God door Christus de wereld met Zich heeft verzoend (2 Korintiërs 5:18)?


Kenmerken van dwalingen volgens Rudy Brinkman

29 december 2011

Op het wereldwijde web zijn talloze websites tegen alverzoening te vinden. Een voorbeeld van zo’n site is de ‘bijbelschool’ van Rudy Brinkman, waar hij een aantal artikelen over het onderwerp heeft geplaatst.

Een van die artikelen is vooral interessant omdat het enkele ‘kenmerken van een dwaling’ bevat. Laten we die eens analyseren:

Wat is kenmerkend aan dwalingen?

  1. een dwaling ontkent het werk van Christus, ontkent de Genade, het offer van Christus op Golgotha; het feit dat Hij met Zijn bloed de gelovigen gekocht en betaald heeft. Een dwaling wil dit buiten werking stellen – zij moet daarom wel “een alternatief bieden” voor het volbrachte werk van Christus en doet dit door ondermeer:
    – zelfwerkzaamheid (bijv. sabbat/houden wet);
    – exclusivisme (verbondsleer, jehova’s getuigen)
    – alverzoening (ook buiten wedergeboorte is er een ‘gedwongen’ redding)
  2. een dwaling biedt geen geloofszekerheid zoals Gods Woord dit biedt. Zij die een dwaling navolgen halen hun ‘geloofszekerheid’ uit de leringen van de dwaling; immers doordat de dwaling Christus buiten werking stelt, wil stellen, dient er een alternatief te zijn of te worden geboden.
  3. een dwaling schets een karikatuur van het ware evangelie om het zo onaantrekkelijk te maken en zo de religieuze mens te verleiden tot het navolgen van de dwaling.
  4. een dwaling ontkent de noodzaak, of de mogelijkheid, van de wedergeboorte.

Het belangrijkste kenmerk van een dwaling is echter dit: het is een religie, een levenswijze, die door de satan geïnspireerd wordt omdat zij de mens afhoudt van de wedergeboorte. Alléén door de wedergeboorte immers kan een mens gered worden. En dat is wel het laatste wat de ‘vader van de leugen’ wil. De satan vindt het helemaal niet erg als een mens religieus is, in welke vorm dan ook. Maar hij gruwt van de gedachte dat een mens voor eeuwig verlost zou worden. Immers: élk mens dat tot wedergeboorte komt, elk mens dat door Christus verzoenende werk verlost wordt, is een mens waarover hij géén macht meer heeft. Dáárom zijn er zoveel dwalingen; het zijn verleidingen van de satan.

Wat eerst rechtgezet moet worden is dat het beeld van alverzoening dat Brinkman schetst, onjuist is. Er is geen sprake van gedwongen redding en de redding vindt juist plaats door wedergeboorte. De straf is een straf die tot inzicht leidt en waardoor de ongelovige zich bekeert. De bekering is uit vrije wil!

Kenmerk 1: een dwaling ontkent het werk van Christus.

Bijbelse alverzoening ontkent het werk van Christus niet, maar bevestigt het juist. Zonder Christus is er geen redding! Door Christus worden allen gered!

Hoe zit dat bij de leer van de eindeloze straf? Daar wordt wel degelijk een deel van het werk van Christus ontkend. Christus heeft aan het kruis niet enkel de gelovigen met God verzoend, maar alle mensen, de wereld! Dat staat in de bijbel en het wordt ontkend of op zijn minst afgezwakt bij de leer van de eindeloze straf.

Kenmerk 2: een dwaling biedt geen geloofszekerheid.

Bijbelse alverzoening geeft juist geloofszekerheid: wat er ook gebeurt, je zult uiteindelijk bij God terechtkomen. Zelfs als je ooit het geloof zou verliezen, zal God je terugvinden.

Hoe zit dat bij de leer van de eindeloze straf? Wanneer er sprake is van uitverkiezing, dan ben je nooit zeker van het geloof: misschien heeft God je toch niet uitverkoren! Wanneer het van de vrije wil afhangt, ben je afhankelijk van je zondige verdorven natuur! Er zijn tal van mensen die ooit oprecht geloofden en nu absoluut niet meer geloven, dat kan niet ontkend worden. De leer van de eindeloze straf hangt als een zwaard van Damocles boven het hoofd van iedere gelovige en jakkert geloofstwijfel aan: je bent nooit zeker van je uiteindelijke bestemming.

Kenmerk 3: een dwaling schetst een karikatuur van het ware evangelie om het zo onaantrekkelijk te maken.

Is dit een kenmerk van een dwaling of een kenmerk van veel verdedigers van een dwaling? Het zal best zijn dat er verdedigers van bijbelse alverzoening zijn die overdrijven om duidelijk te maken hoe kwalijk de leer van de oneindige straf is, maar zij hebben het makkelijk: er zijn in de kerkgeschiedenis veel gruwelijke beschrijvingen van de hel te vinden. Maar is het wel mogelijk om te overdrijven als het gaat om een eindeloze straf? Het hele concept van een eindeloze straf is zo ernstig dat het bijna onmogelijk is om het erger te maken dan het al is.

Hoe zit dat bij de verdedigers van de leer van de eindeloze straf? Wie het woord ‘alverzoening’ in de mond neemt, wordt vaak direct verweten in allerlei dingen te geloven die niet bijbels zijn. Het zou gedwongen bekering zijn, het zou Christus’ werk ontkennen, het zou ontkennen dat God straft, het zou redding buiten Christus leren, het zou betekenen dat je maar kunt leven zoals je wilt! Dat zijn karikaturen die door veel verdedigers van de eindeloze straf worden gemaakt van alverzoening. Het is juist de leer van de eindeloze straf die dit kenmerk vertoont.

Kenmerk 4: een dwaling ontkent de noodzaak, of de mogelijkheid, van de wedergeboorte.

Bijbelse alverzoening ontkent dit niet, juist niet. Uiteindelijk zullen allen wedergeboren worden; dat is noodzakelijk om gered te worden. Er is geen enkele reden om dit uit te stellen.

Hoe zit dat bij de leer van de eindeloze straf? De leer van de eindeloze straf ontkent dat God mensen door middel van de straf redt! Daar wordt dus de mogelijkheid van wedergeboorte ontkend voor hen die bij het laatste oordeel veroordeeld worden!

Kenmerk 5: het is een religie, een levenswijze, die door de satan geïnspireerd wordt omdat zij de mens afhoudt van de wedergeboorte. […] De satan gruwt van de gedachte dat een mens voor eeuwig verlost zou worden.

Bijbelse alverzoening houdt mensen niet af van wedergeboorte, maar leert dat alle mensen wedergeboren zullen worden. Als de satan gruwt van de gedachte dat één mens voor eeuwig verlost zal worden, hoe zal de satan dan gruwen van de gedachte dat alle mensen voor eeuwig verlost zullen worden?!

De enigen die beweren dat alverzoening betekent dat je niet hoeft te geloven en je je niet hoeft te bekeren, zijn de tegenstanders van de leer van de alverzoening, die er een karikatuur van maken, alsof de angst voor een eindeloze in plaats van ‘enkel’ een langdurige straf het enige of voornaamste is dat tot wedergeboorte moet leiden.

Het is juist zo dat er velen zijn die bij het christendom wegblijven omdat er geleerd wordt dat een volkomen goed en almachtig God mensen eindeloos straft. Dat is zo overduidelijk inconsistent dat velen het christelijk geloof niet serieus nemen.

Conclusie: het is niet de leer van de alverzoening die aan de vijf kenmerken van Brinkman voldoet, maar de leer van de eindeloze straf!

CV Koers over alverzoening

23 december 2011

In het oktobernummer van CV Koers stond een artikel over alverzoening. De auteur van het artikel is Tjerk de Reus. Het artikel is ook hier te vinden.

Het is jammer dat De Reus vooral enkele tegenstanders van de leer van de alverzoening aan het woord laat en dat zijn artikel de suggestie wekt dat hij zelf zijn conclusies al heeft getrokken.

Tegenstanders van een eeuwigdurende hel stellen vast dat het Hebreeuwse en Griekse woord voor eeuwig heel vaak niet – of zelfs helemaal niet – ‘voor altijd’ betekent. Eeuwig zou ook begrensd kunnen zijn en vooral een ‘kwalitatief’ woord zijn. Eeuwige straf betekent dan iets als ‘de ergste straf die maar mogelijk is’: goddelijke straf. Is dit een terechte correctie van de voor de hand liggende exegese, waarin ‘eeuwig’ een tijdsaanduiding is? Theoloog en auteur Willem Ouweneel denkt van niet: ,,Er wordt door alverzoeners gretig gegoocheld met het Griekse woord aionos, dat eeuwig betekent. Ten onrechte. De hel is eeuwig, in de zin van altijddurend. Het meest ondubbelzinnige bewijs daarvoor staat in Openbaring, waar wordt gesproken over een straf ‘tot in de eeuwen der eeuwen’. Dan gaat het over de werkelijkheid van de hel. Ik vind het niet geloofwaardig om vervolgens alle plaatsen waar het woord ‘eeuwig’ valt in combinatie met het hiernamaals, te beperken tot iets tijdelijks of als een voorbijgaand stadium op te vatten. Wel denk ik dat je moeilijk uit de bijbelse gegevens kunt afleiden dat alle ongelovigen in eeuwigheid volledig bewuste foltering in de hel moeten ondergaan. De tekst die ik al noemde, uit Openbaring, spreekt wel van foltering tot in de eeuwen der eeuwen. Maar die geldt een specifiek gezelschap: de duivel, het beest en de profeet.”

Het is merkwaardig dat Ouweneel eerst stelt dat het woord aionios eeuwig betekent, maar het vervolgens wil aantonen door naar Openbaring te verwijzen, waar dat woord niet gebruikt wordt. In Openbaring staat namelijk tot eonen van eonen, wat je eventueel zou kunnen weergeven met eeuwenlang. Zelfs als de straf oneindig zou zijn, dan betekent het niet dat eeuwenlang ineens oneindig of eeuwig betekent. Wanneer een gekleurde bal blauw is, dan zeggen we ook niet dat ‘gekleurd’ eigenlijk ‘blauw’ betekent. Ouweneel suggereert dat wie alverzoening verdedigt op bepaalde plaatsen het woord ‘eeuwig’ beperkt, maar dit is onjuist. Het woord betekent nergens ‘oneindig lang’.

Alverzoening lijkt een humane oplossing voor het probleem van een eeuwige hel. Bijbels-exegetisch staat deze theorie echter niet sterk. Er zijn eenvoudigweg te veel teksten in het Oude en Nieuwe Testament die – in allerlei varianten – over de hel spreken. Maar zoals uit het pleidooi van Ouweneel al blijkt: je kunt van mening verschillen over het hoe van de hel. De genoemde Wim Hoogendijk spreekt over de hel als een traject van straf en boetedoening, met als doel inkeer en bekering. Hij meent dat elk mens via een pijnlijk proces van inzicht in de eigen zondigheid zich tot God zal bekeren. Iets vergelijkbaars stelt ook Rob Bell, die van de kracht van Gods liefde veel, zo niet alles, verwacht: inkeer, bekering, innerlijke transformatie.

Dit is duidelijk de mening van De Reus. De leer van de alverzoening heeft bijbels-exegetisch wel degelijk een goede onderbouwing, omdat de teksten in het Oude en Nieuwe Testament die over de hel spreken, uitstekend passen bij een straf die tot bekering leidt. Alleen wanneer alverzoening zou leren dat er géén hel, géén straf zou zijn, alleen dan zou dit een geldig argument zijn.

Jan Hoek vindt deze voorstelling van zaken misleidend. ,,Ik begrijp het sentiment dat hierin meespeelt heel goed. Mensen die zich nooit welbewust hebben gekeerd tégen Jezus, omdat ze niets of nauwelijks iets van Hem wisten, verdienen ook zij niet een faire kans om een keuze te maken? Dat zou dan plaatsvinden na de dood. Maar in de Bijbel wordt nergens gesproken over een tweede kans na dit leven. Bovendien is het een vreemd idee dat mensen door harde straffen ná dit leven zich alsnog tot God zullen bekeren, zoals Hoogendijk voorstelt. Zou iemand die de liefde van Jezus afwees – of niets van Hem wist – door pijnigingen alsnog voor Hem gewonnen worden? Het Evangelie wekt geloof, straf op zichzelf niet. Althans, zo vind ik dat niet in de Bijbel.’’

Volgens Jan Hoek is het een vreemd idee dat mensen die zich nooit welbewust hebben gekeerd tégen Jezus, zich na het leven alsnog tot God zullen bekeren. Dat heeft te maken met de harde straffen. Maar wordt Hoek nu niet zelf beïnvloed door menselijke ideeën over de hel? Eerder in het artikel vertelde Hoek al dat het risicovol is om je te proberen voor te stellen wat het betekent dat mensen in de hel terechtkomen: “Per saldo weten we niet veel van de hel. Onze voorstellingen gaan mank. De Bijbel zelf is terughoudend.” Wie de bijbel erop naslaat leest dat straf wel degelijk leidt tot bekering, zoals bijvoorbeeld in de tijd van de rechters en in het geval van Jona. Bovendien spreekt de bijbel vooral in beelden over de straf; we weten niet hoe het precies werkt. Misschien is de straf wel dat je ervaart wat je mensen hebt aangedaan, en dat je daardoor tot inzicht komt.

Wij weten niet hoe het precies werkt, welke passende straf iedereen krijgt. Het is aannemelijk dat niet iedereen op dezelfde manier behandeld wordt en dat God zó oordeelt dat mensen tot inkeer worden gebracht. Voor sommigen betekent dit een harde straf en de bijbel waarschuwt daar zeker voor. Maar als God in staat is om ook maar één mens tot geloof te leiden door het oordeel, dan is het toch mogelijk dat mensen zich alsnog tot God zullen bekeren?

In prediking en evangelisatie is de eeuwige bestemming een lastig punt. Het is moeilijk te verkopen dat een weg zonder God in de hel zou eindigen. ‘Die liefdevolle God van jou, die je zogenaamd de vrije keus laat, heeft dan toch wel een duister randje’, voel je de ander denken. Maar doe je de boodschap van het Evangelie recht als er geen eeuwigheidsdimensie in meespeelt?

Ja, dan doe je de boodschap van het Evangelie recht. Het probleem is niet dat een weg zonder God leidt tot straf of verloren-zijn, maar dat dit een toestand is die God zo zou laten, een helse pijniging waar geen einde aan komt. Dat eindeloze van die hel, dat is onbijbels.

In het artikel wordt door Arenda Haasnoot gesteld dat wie stelt dat iedereen uiteindelijk in de hemel bij God komt, in feite op de troon van God gaat zitten. Geldt dat niet juist voor hen die zeggen dat het rechtvaardig is als God mensen eindeloos straft? Als de bijbel zelf leert dat God wil dat alle mensen worden gered, mag dat dan niet nagesproken worden? Er is zeker een tweevoudige bestemming als gevolg van het oordeel, maar het is niet zo dat de straf eindeloos moet zijn om een aansporing te zijn om je te bekeren, zoals Haasnoot suggereert.

Waarom speelt het debat over het bestaan van de hel juist nu zo sterk op? De trigger zit vooral in veranderende godsbeelden. Volgens Jan Hoek kunnen mensen steeds minder met een strenge God. Voor veel gelovigen is God hoofdzakelijk zorgzaam en vriendelijk. Dat Hij ook toorn kent en strengheid, lijkt een wegebbend besef. Bovendien willen christenen niet geassocieerd worden met religieus radicalisme dat vandaag nadrukkelijk in the picture is.

Is de reden dat mensen minder met een ‘strenge God’ zouden kunnen, niet juist de traditionele leer, die een God leert die vooral wreed is? Mensen kunnen best wat met een God die streng en rechtvaardig is. Er is veel ellende in de wereld en daarom is een strenge en rechtvaardige God een troost: er zal gerechtigheid komen. Dat betekent niet dat de straf eindeloos is; het is juist groots dat ook de ergste zondaren uiteindelijk oprecht berouw zullen krijgen en vergeving zullen vinden.

Kernwoorden

Tot slot noemt De Reus enkele kernwoorden in de discussie: ‘eeuwig’, ‘laatste oordeel’, ‘hemel’, ‘hel’ en ‘verzoening’.

Bij ‘eeuwig’ vermeldt De Reus terecht dat sommige vernietigende oordelen in de bijbel ‘eeuwig’ genoemd worden, terwijl die tijdelijk blijken, zoals bij Sodom. Zijn conclusie dat ‘eeuwig’ in de meeste gevallen toch ‘altijddurend’ lijkt te betekenen blijft helaas zonder verdere argumentatie, terwijl dat toch de enige bijbelse basis is voor een eindeloze straf.

Bij ‘laatste oordeel’ zegt De Reus dat er niets in de bijbel staat over een herkansing. Het is waar dat de straf geen ‘kans’ is, maar de bijbel leert wel degelijk dat de straf geen wraakstraf is, maar een straf tot bekering.

Bij ‘verzoening’ stelt De Reus: “Aanhangers van de alverzoening hechten in de regel weinig waarde aan de bewuste geloofskeuze voor Jezus. Men gaat er min of meer van uit dat God ‘over zijn hart strijkt’. Een goedbedoelende God zou niet anders kunnen dan mensen in de armen sluiten, ondanks hun fouten.” Er zullen vast aanhangers van alverzoening zijn die zo redeneren, maar de auteur suggereert zo dat deze redenering bij bijbelse alverzoening past. Dat is absoluut niet waar. Een bewuste geloofskeuze voor Jezus hoort bij geloof en bekering; het is een voorwaarde om in de hemel bij God te zijn.

Tot slot

Het artikel wekt de schijn dat alverzoening bijbels-exegetisch onhoudbaar is. Wat de bijbel leert over de redding en over de straf is op deze site te vinden. De voornaamste kritiek lijkt helaas gericht te zijn op een niet-bijbelse varianten van alverzoening, die weinig ruimte bieden aan het bijbelse spreken over de straf.


Kolazo: straffen ter correctie

14 oktober 2011

In de bijbel worden verschillende woorden gebruikt voor de straf na de dood. Het vuur, de buitenste duisternis, het verderf.

Twee andere woorden zijn de Griekse woorden kolasis (straf) en kolazo (straffen). Er zijn in het Nieuwe Testament vier plekken waar deze woorden voorkomen.

2 Petrus 2:9: οἶδεν κύριος εὐσεβεῖς ἐκ πειρασμοῦ ῥύεσθαι, ἀδίκους δὲ εἰς ἡμέραν κρίσεως κολαζομένους τηρεῖν

Dit betekent: De Heer weet de vromen uit de verleiding te trekken1, maar de onrechtvaardigen tot de dag van het oordeel te bewaren, om gestraft te worden.

Handelingen 4:21: οἱ δὲ προσαπειλησάμενοι ἀπέλυσαν αὐτούς, μηδὲν εὑρίσκοντες τὸ πῶς κολάσωνται αὐτούς, διὰ τὸν λαόν, ὅτι πάντες ἐδόξαζον τὸν θεὸν ἐπὶ τῷ γεγονότι

Dit betekent: Na [Petrus en Johannes] nogmaals bedreigd te hebben lieten [de leden van het Sanhedrin] hen vrij, omdat ze niets konden vinden hoe hen te straffen, vanwege het volk, want allen verheerlijkten God om wat er gebeurd was.

Matteüs 25:46: καὶ ἀπελεύσονται οὗτοι εἰς κόλασιν αἰώνιον, οἱ δὲ δίκαιοι εἰς ζωὴν αἰώνιον

Dit betekent: En dezen zullen weggaan in de eonische straf, maar de rechtvaardigen in het eonische leven. (Zie hier voor de interpretatie van eonisch.)

1 Johannes 4:18: φόβος οὐκ ἔστιν ἐν τῇ ἀγάπῃ ἀλλ᾽ ἡ τελεία ἀγάπη ἔξω βάλλει τὸν φόβον, ὅτι ὁ φόβος κόλασιν ἔχει, ὁ δὲ φοβούμενος οὐ τετελείωται ἐν τῇ ἀγάπῃ

Dit betekent: Angst is niet in de liefde, maar de volmaakte liefde drijft de angst uit, want de angst houdt verband met straf, en wie bang is, is niet volmaakt in de liefde.

Betekenis

Er zijn verschillende Griekse woorden die iets met straf of met pijniging te maken hebben. Deze woorden bestaan in twee vormen:

Werkwoord Naamwoord Betekenis
kolazo kolasis corrigerend straffen
timoreo timoria straffen uit wraak
ekdikeo ekdikesis wreken, rechtvaardigen
basanizo basanismos martelen (bij ondervragen)
paideuo paideia kastijden/trainen

Het is waar dat woorden die op elkaar lijken (zoals kolasis en kolazo) niet altijd dezelfde betekenis hebben, maar in de loop van de tijd van betekenis kunnen veranderen. Dat betekent niet dat het ook zo is. Bovenstaande woorden worden zoveel naast elkaar gebruikt, dat het voor de hand ligt dat het onderscheid tussen kolazo en timoreo gelijk is aan het onderscheid tussen kolasis en timoria.

Overigens heeft kolazo ook nog andere betekenissen dan enkel straffen. Zo betekent kolazo ook snoeien (bijvoorbeeld van bomen) en beteugelen, beperken, begrenzen.

Het is lastig om goed woordonderzoek te doen, omdat we er niet vanuit kunnen gaan dat de bijbel in volledig correct Grieks is geschreven. Het Grieks was niet de moedertaal van de verschillende auteurs van de bijbel. Zo gebruiken ook Nederlanders met enige kennis van het Duits of het Engels de Duitse en Engelse woorden niet precies op die manier zoals een Duitser of een Engelsman dit zou doen.

Desondanks is er een duidelijk onderscheid tussen kolasis en timoria, niet alleen bij klassieke Griekse auteurs, maar ook bij tijdgenoten van Jezus en bij latere christelijke schrijvers.

Dit begint bij Plato en Aristoteles. Deze twee filosofen leefden in de vierde eeuw vóór Christus en introduceerden de toepassing van het woord kolasis op straffen gericht op herstel.

Zo gebruikte Plato de straf als ondersteuning voor zijn theorie dat je deugden kunt leren. Plato stelt dat we iemand die slecht doet niet enkel straffen vanwege zijn slechte daden, tenzij we onredelijk wraaknemen zoals een wild beest. Iemand die redelijk straft, wreekt zich niet voor een vergrijp, want hij kan het toch niet ongedaan maken. Hij kijkt naar de toekomst en straft om te voorkomen dat die persoon en anderen die hem gestraft zien worden, in de toekomst slechte dingen zullen doen. (Plato, Protagoras 324)

Ook Aristoteles geeft een duidelijk verschil tussen wraak (timoria) en straf (kolasis). Het laatste is in het belang van de gestrafte, terwijl het eerste in het belang is van degene die straft, zodat hij er genoegdoening uit krijgt. (Aristoteles, Retorica 1.10.17)

Uit deze teksten blijkt duidelijk dat kolasis een straf is met het doel om van de gestrafte een beter mens te maken, in ieder geval bij Plato en Aristoteles.

Een andere bron is Aulus Gellius, een Romeinse schrijver die leefde in de 2e eeuw van onze jaartelling. Hij schreef in zijn bundel Attische Nachten het volgende:

Er zijn drie redenen om overtredingen te bestraffen. Een daarvan, die de Grieken kolasis of nouthesia noemen, is het straffen met als doel correctie en verbetering, zodat degene die verkeerd gedaan heeft zonder erbij na te denken voorzichtiger wordt. De tweede wordt timoria genoemd door hen die een preciezer onderscheid maken tussen dit soort termen. Die reden voor straf is er wanneer iemands waardigheid en prestige gehandhaafd moeten worden, omdat het gebrek aan straf anders kan leiden tot minachting. Een derde reden voor straf is dat wat de Grieken paradeigma noemen, wanneer straf nodig is als voorbeeld, zodat anderen weerhouden worden om dezelfde fouten te maken. […] Plato zelf zegt duidelijk dat er maar twee redenen zijn voor straf: ten eerste de straf ter verbetering; ten tweede de straf als afschrikwekkend voorbeeld. Dit zijn Plato’s eigen woorden in de Gorgias: “Het is passend dat iedereen die straf krijgt, wanneer hij rechtvaardig wordt gestraft, ofwel hierdoor beter wordt, of dient als een voorbeeld voor anderen, zodat zij, wanneer zij de straf zien, door angst verbeterd worden.” (Vrij naar: Aulus Gellius, Attische Nachten, 7.14)

Hieruit blijkt dat ook eeuwen na Plato en Aristoteles deze begrippen op dezelfde manier gebruikt worden.

Een vierde bron is een kerkvader, Clemens van Alexandrië, een tijdgenoot van Aulus Gellius. In het derde boek van zijn theologische trilogie schrijft hij:

Maar als we gestraft worden voor vrijwillige zonden, worden we niet gestraft zodat de zonden ongedaan worden gemaakt, maar omdat ze zijn gedaan. De straf is er niet voor degene die gezondigd heeft, om de zonde ongedaan te maken, maar zodat hij niet meer zondigt en dat niemand anders in zonde valt. Daarom straft de goede God voor deze drie redenen: in de eerste plaats, dat degene die gestraft wordt beter wordt dan hij eerst was; in de tweede plaats, dat zij die door voorbeelden gered worden, vermaand worden; en in de derde plaats, dat het slachtoffer niet al te makkelijk aan verachting ten prooi valt en vatbaar is voor nieuw onrecht. (Vrij naar: Clemens van Alexandrië, Stromata, 4.24)

Maar zoals kinderen worden gestraft door hun leraar, of hun vader, zo worden wij door God gestraft. […] Hij straft met het oog op het goede voor hen die gestraft worden, zowel collectief als individueel. (Vrij naar: Clemens van Alexandrië, Stromata, 7.16)

In het Oude Testament komen een oordeel na de dood en een onderscheid tussen hemel en hel eigenlijk niet voor. In de periode tussen Maleachi en de geboorte van Christus is er echter veel invloed vanuit het Griekse hellenisme, die we terugvinden in de debatten tussen Farizeeën en Sadduceeën.

We weten via schrijvers als Philo en Josephus hoe de Farizeeën dachten over het oordeel en de straf. De terminologie die zijn hanteerden waren begrippen als eirgmon aidion (oneindige gevangenschap), aidion timorion (oneindige wraakstraf) en thanaton ateleuteton (dood zonder einde).

Jezus gebruikte deze woorden niet. In plaats daarvan gebruikte Jezus aionios, een bijvoeglijk naamwoord dat een lange of intensieve tijdsperiode van onbepaalde lengte weergeeft en kolasis, een zelfstandig naamwoord dat een straf ter verbetering aanduidt.

Nogmaals de vier bijbelteksten

Hoe zit het dan met de vier eerdergenoemde bijbelteksten? Kunnen de teksten uitgelegd worden met een corrigerende straf, of moeten de teksten begrepen worden met een wraakstraf in gedachten?

2 Petrus 2:9: De Heer weet de vromen uit de verleiding te redden, maar de onrechtvaardigen tot de dag van het oordeel te bewaren, om gestraft te worden.

Hier past een corrigerende straf prima. De omliggende tekst is duidelijk over de goddelozen: ze zijn er erg aan toe. Dit past net zo goed bij een straf ter correctie, als bij een straf uit wraak. Wat dat betreft is uit de tekst zelf niet af te leiden dat het hier om een straf ter correctie moet gaan, of om een straf zonder corrigerend doel.

Handelingen 4:21: Na [Petrus en Johannes] nogmaals bedreigd te hebben lieten [de leden van het Sanhedrin] hen vrij, omdat ze niets konden vinden hoe hen te straffen, vanwege het volk, want allen verheerlijkten God om wat er gebeurd was.

Ook bij deze tekst passen zowel een straf ter correctie als een straf uit wraak. Het Sanhedrin wilde hen straffen, wat uit hun oogpunt natuurlijk een straf was die bedoeld was om hen op te laten houden met het verkondigen van het evangelie van Jezus en terug te doen keren tot de Joodse traditie.

Matteüs 25:46: En dezen zullen weggaan in de eonische straf, maar de rechtvaardigen in het eonische leven.

Dit is de bekende tekst die gebruikt wordt om een oneindige straf te verdedigen. In vers 41 werden ze ook al naar het vuur verwezen, een pur aionion, dus niet een oneindig vuur, maar het vuur van de komende eeuw, een vuur waarvan de lengte niet gegeven is. Als kolasis een straf tot bekering is, dan leert Jezus hier dat de straf dat doel heeft.

1 Johannes 4:18: Angst is niet in de liefde, maar de volmaakte liefde drijft de angst uit, want de angst houdt verband met straf, en wie angst heeft, is niet volmaakt in de liefde.

Ook bij deze tekst passen zowel een straf ter vergelding als een straf ter correctie. Op basis van de tekstfragmenten en de directe context is er dus in de bijbel geen duidelijke reden te vinden dat kolasis in de bijbel iets anders betekent dan het in andere Griekse teksten betekent.

Andere bijbelteksten

Ook als de straf hard is, meer uit wraak lijkt dan ter correctie, sluit het dat uiteindelijke doel niet uit. Een goed voorbeeld is de straf die Paulus voorschrijft in 1 Korintiërs 5:5: “U moet die persoon aan Satan uitleveren, tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest zal worden gered op de dag van de Heer.” Paulus heeft met de straf dus als doel dat de persoon in kwestie uiteindelijk zal worden gered.

Ook Ezechiël 43:11 beschrijft dat Israël alle geboden zal houden, nadat ze zich schamen. In de Griekse vertaling van het Oude Testament wordt hier het woord kolasis gebruikt en staat er eigenlijk: en zij zullen de straf ontvangen voor alles wat ze hebben gedaan.

Maleachi 3:2-3: “Wie zal die dag kunnen doorstaan? Wie zal overeind blijven wanneer hij verschijnt? Hij is als het vuur van een smid, als het loog van een wolwasser. Hij zal zitting houden als iemand die zilver smelt en het zuivert; de zonen van Levi zal hij zuiveren en zeven als goud en zilver, en dan zullen ze op de juiste wijze offeren aan de HEER.”

Als een smid zilver zuivert, dan doet hij dat in het heetste deel van het vuur, anders branden de onzuiverheden niet weg. Maar hij moet erbij blijven en opletten: als de smid even niet oplet kan het zilver verloren gaan.

Ook in het apocriefe boek Wijsheid wordt er gesproken over de straf van God:

Wijsheid 12:23-27: Daarom hebt u ook degenen die een dwaas en onrechtvaardig leven leidden met hun eigen gruwelijkheden gekweld. Zij waren ver voorbij de bekende dwaalwegen toen ze de verachtelijkste dieren als goden gingen vereren. Ze hebben zich laten beetnemen als onnozele kinderen; daarom hebt u hun, als aan kinderen zonder verstand, een straf opgelegd die hen belachelijk maakte. Maar wie zich zelfs door zulke bespotting niet laat terechtwijzen, moet Gods rechtvaardig oordeel ondergaan. Gekweld door de wezens waarvan ze te lijden hadden, gestraft juist door wat ze voor goden aanzagen, zijn ze tot het inzicht en de erkenning gekomen dat hij, die ze eerder niet wilden kennen, God is. Met dat doel heeft deze vreselijke straf hen getroffen.

Hoewel Wijsheid een apocrief boek is en daarom geen gezag heeft, is het toch opmerkelijk. Het is blijkbaar de opvatting van de auteur dat de straf leidt tot inzicht en erkenning, ja, dat dit zelfs het doel van de straf is.

Conclusie

Zowel in Griekse teksten voordat het Nieuwe Testament werd geschreven als in teksten nadat het werd geschreven, worden kolasis en kolazo gebruikt om een straf ter correctie te omschrijven. Dat is uit de teksten van Plato, Aristoteles, Aulus Gellius en Clemens van Alexandrië overduidelijk. We kennen ook enkele termen die de Farizeeën gebruikten om de toestand van de straf mee aan te duiden. Het is opvallend dat deze terminologie in het Nieuwe Testament en in het bijzonder door Jezus in Matteüs 25 niet gebruikt wordt. Zoals in het Nieuwe Testament de woorden kolasis en kolazo gebruikt worden, is er geen enkele reden om aan te nemen dat een straf zoals timoria wordt bedoeld.

De conclusie is dus dat kolasis in de bijbel geen wraakstraf is, maar een straf met bekering als doel. Wanneer kolasis en kolazo gebruikt worden, is dit gericht op inkeer en herstel.

Wat leert de bijbel met betrekking tot de straf na het oordeel?

In Matteüs 25:46 en 2 Petrus 2:9 is de straf na het oordeel een straf ter correctie. Bekering is dus niet alleen mogelijk, maar is zelfs het doel van de straf na het oordeel.

De Heer weet de vromen uit de verleiding te trekken, maar de onrechtvaardigen tot de dag van het oordeel te bewaren, om door straf gecorrigeerd te worden.

Een pittige, rechtvaardige, eerlijke, passende straf.


1. Het woord ῥύεσθαι geeft weer dat iemand uit iets getrokken wordt.


Aioon / aionios

17 september 2011

Een veelbesproken onderwerp in de discussie over de eindeloze straf is de betekenis van de woorden aionios en aioon. Voor wie de leer van de oneindige straf wil verdedigen, is de betekenis van dit woord het belangrijkste (en enige) bijbelse argument. In Openbaring stijgt de rook van de pijniging op tot eonen van eonen. De straf in Matteüs is een eonische straf en het vuur is een eonisch vuur. Als het woord niet eeuwig betekent zoals een tijd zonder einde, is er eigenlijk geen tekst waaruit afgeleid kan worden dat de straf die op het oordeel volgt een permanente straf is.

Er zijn nog wel enkele gelijkenissen waaruit een permanente afwijzing door God geleerd zou kunnen worden, zoals de gelijkenis van de wijze en de dwaze meisjes en de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, en er zijn teksten zoals het “onblusbare vuur”, maar die zijn voor het verdedigen van een eindeloze straf veel minder bruikbaar en makkelijk te weerleggen.

Door sommigen wordt de hele discussie tussen de leer van de alverzoening en de leer van de eindeloze straf gereduceerd tot de vraag of eonisch betekent dat iets oneindig is en of eonen van eonen slaat op een oneindige tijd. Men beweert dan dat de leer van de alverzoening geheel berust op een verkeerde vertaling van deze woorden. Dat is een misverstand: er zijn behoorlijk wat bijbelse argumenten vóór alverzoening en verder geen sterke bijbelse argumenten voor een eindeloze straf.

Toch is het op zijn minst vervelend als eonisch wel een oneindig zou betekenen. Dan is de bijbel op een belangrijk punt tegenstrijdig. Wil God nu alle mensen redden of wil God dat uiteindelijk niet? Zal God door middel van de straf mensen blijven bekeren of is het na de dood niet meer mogelijk voor God om mensen te redden? Heeft God de dood nu volledig overwonnen of blijft de dood heer en meester over velen? Als de bijbel tegelijk leert dat God alle mensen wil bekeren en dat God mensen oneindig lang zal straffen, dan leert de bijbel twee tegenstrijdige dingen.

Typisch aan de discussie over de interpretatie van eon en eonisch is dat men met korte of lange lijstjes bijbelteksten komt om een bepaalde betekenis te verdedigen. Zo zouden eonische God en eonisch leven erop wijzen dat eonisch oneindig is, of dat in 2 Korintiërs 4:18 het eonische tegenover het tijdelijke staat en dus eonisch oneindig is. Maar 2 Korintiërs kun je ook zo lezen: het eonische staat tegenover het vluchtige/kort-durende. De eonische God is er in alle eonen en is de God van alle eonen. Het eonische leven heeft een eonisch karakter, dat zegt niets over de vraag of het eindigt of niet. Onsterfelijkheid wordt niet geleerd in teksten over een eonisch leven, maar in 2 Timoteüs 1:10, waar staat dat Christus Jezus het leven en de onvergankelijkheid aan het licht heeft gebracht. Bovendien: als een eon per definitie oneindig duurt, hoe kan de bijbel dan spreken over eonen en hoe kan Jezus spreken over deze eon en de komende eon en over het einde van deze eon?

Er zijn ook wetenschappelijke bronnen over dit onderwerp.

Het eerste is het proefschrift van Heleen Keizer: “Life time entirety” (1999). Dit proefschrift is te lezen via Google Books.

Het tweede is het boek “Terms for Eternity” van Ilaria Ramelli en David Konstan (2007). Dit boek is voor een deel te lezen via Amazon.com.

Konstan en Ramelli hebben een paper geschreven die hun conclusies samenvat. Deze paper is door Robin Parry (auteur van The Evangelical Universalist) in een serie blogs gepubliceerd: “Eternal Punishment”—the punishment of the age to come, 1: Introduction, 2: Preliminary Comments on “Eternity”, 3: Aiônios and aïdios in Classical Greek Texts, 4: Aiônios and aïdios in the Septuagint, 5: Aiônios and aïdios in the New Testament, 6: Aiônios and aïdios in Origen.

De paper is ook verschenen in 2 topics op het Evangelical Universalist forum: topics 1 en 2.

Uit het proefschrift en uit het boek blijkt onder andere dat er een duidelijk verschil is tussen aionios en aidios. Dat laatste is het woord dat je zou verwachten wanneer een oneindige tijd bedoeld wordt. Aidios is overigens een woord dat in de bijbel vrijwel nergens voorkomt.

In de Septuaginta (Griekse vertaling van het Oude Testament) zijn aioon én aionios de vertaling van het Hebreeuwse woord olam. De betekenis van dit woord is behoorlijk afhankelijk van de context. Het woord kan opgevat worden als een tijdspanne van meerdere eeuwen of generaties, of als een geheelheid van tijd, zoals de duur van een leven, als een ononderbroken periode, of als een tijd die ver in het verleden of ver in de toekomst ligt, of als een aanduiding van het huidige tijdperk (deze eon/eeuw) of een tijdperk in de toekomst (de komende eon/eeuw). De betekenis is contextafhankelijk, maar het is onjuist om het te vertalen met oneindig of eindeloos en tamelijk vergezocht om te beweren dat dit de enig mogelijke vertaling is.

Wie verdedigt dat de bijbel een eindeloze straf leert, kan niet volstaan met een paar tekstcitaten en de opmerking dat aioon en aionios overduidelijk als een oneindige periode moeten worden opgevat. Men zal op zijn minst een goed antwoord op het proefschrift van Keizer en op boek en paper van Ramelli en Konstan moeten hebben.