Stellingen

Wat hieronder volgt is een verzameling teksten, stellingen en gedachten die met het thema alverzoening te maken hebben, onder meer als reactie op veelgehoorde tegenwerpingen.

Over wat God wil volgens de bijbel

  1. God wil dat alle mensen worden gered (1 Timoteüs 2:4).
  2. God wil dat alle mensen de waarheid leren kennen (1 Timoteüs 2:4).
  3. God wil dat allen tot inkeer komen (2 Petrus 3:9).
  4. God wil niet dat iemand verloren gaat (2 Petrus 3:9).

Over Gods almacht

  1. Als God de almachtige schepper is dan bepaalt God de spelregels.
  2. Als er een oordeel is, dan is dat omdat God dat wil. Als er een straf is, dan is dat omdat God dat wil. Als mensen gered worden, dan is dat omdat God dat wil.
  3. Als God oordeel en straf wil gebruiken tot bekering, dan kan Hij dat. Niets kan God tegenhouden om mensen ook na dit leven te redden.

Over Christus’ overwinning aan het kruis

  1. Als God de dood volledig heeft overwonnen (1 Korintiërs 15:26,54), dan kan de dood geen definitieve macht hebben.
  2. Als mensen permanent verloren gaan dan hebben, wat die mensen betreft, zonde en dood gewonnen en is de macht van zonde en dood niet daadwerkelijk en definitief gebroken.
  3. Als er voor altijd een plek zou bestaan vol lijden en haat en pijn en dood, dan zou er voor altijd een rotte plek in Gods wereld blijven.
  4. De genade gaat de overtreding van Adam verre te boven. Door de overtreding van één mens moesten alle mensen sterven, maar de genade die God aan alle mensen schenkt door die ene mens, Jezus Christus, is veel overvloediger (Romeinen 5:15).
  5. In Kolossenzen 1:19-20 schrijft Paulus: Het heeft heel de volheid behaagd in Christus te wonen en alles met zich te verzoenen door hem, die vrede heeft gebracht door het bloed van het kruis, [door hem] zowel dat op de aarde als dat in de hemel.
  6. Christus is voor alle mensen gestorven en God heeft door Christus de wereld met zich verzoend (2 Korintiërs 5:14-19).

Over Gods rechtvaardigheid en de aard van de straf

Sommigen beweren dat God niet alleen liefdevol, maar ook rechtvaardig is, en dat alleen een straf zonder mogelijkheid tot bekering aan Gods rechtvaardigheid zou voldoen.

  1. De straf heeft een corrigerend karakter. Dit is onder andere af te leiden uit het gebruik van kolasis (Matteüs 25:46) en kolazo (2 Petrus 2:9) die gaan over een corrigerende staf, een straf die inkeer als doel heeft, een tuchtiging. Als het wel ging om een straf uit wraak, dan zou het woord timoria gebruikt zijn.
  2. Jezus leerde dus wel degelijk dat bekering na het oordeel mogelijk is (Matteüs 25:46), maar de prediking van Jezus was vooral gericht op bekering hier en nu en niet op de vraag of de straf de eindtoestand is of bekering als doel heeft. Het is daarom niet vreemd dat Jezus nergens dieper ingaat op dit aspect van de straf. Bovendien kennen we via de evangeliën slechts fragmenten uit het onderwijs van Jezus en heeft Jezus zelf gezegd dat er dingen waren die Hij nog zou willen vertellen maar die de discipelen nog niet zouden begrijpen (Johannes 16:1-16).
  3. In de bijbel staat dat zondige mensen verloren gaan, maar ook dat Jezus is gekomen om wat verloren is te zoeken en te redden. Het verloren-zijn is in de bijbel geen eindtoestand. Als één schaap verloren is, laat de herder de kudde achter om het ene dier te zoeken. De verloren zoon was dood maar werd weer gevonden.
  4. Paulus gebruikt in 2 Tessalonicenzen 1:9 het woord olethron (verderf), dat hij in 1 Korintiërs 5:5 als volgt gebruikt: U moet die persoon aan de satan uitleveren, tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest zal worden gered op de dag van de Heer. Met olethron wordt het verderf van de oude mens bedoeld. Het verderf van de oude mens heeft positieve gevolgen!
  5. Zolang iemand zich verzet tegen God en tegen Gods redding, is diegene verloren. Maar zodra iemand dit verzet opgeeft, zijn bekering en verzoening mogelijk. Daarom kan God altijd mensen blijven redden. Aangezien God wil dat alle mensen worden gered en dat niemand verloren gaat, is het niet zo dat God zou willen dat mensen voor altijd verloren zouden blijven.
  6. Als vanwege Gods rechtvaardigheid mensen moeten worden gestraft, dan geldt dit ook voor de mensen die worden gered. Bovendien is er al iemand gestraft: Jezus Christus heeft de straf gedragen. Als een rechtvaardig God uit liefde en genade enkelen kan redden, dan kan een rechtvaardig God ook uit liefde en genade velen redden, ja, dan kan een rechtvaardig God uit liefde en genade zelfs allen redden.
  7. Als ook maar iemand door oordeel en straf tot bekering zou kunnen komen, dan kan God ook dan mensen redden en dan is een permanente, definitieve hel, waaruit niemand gered wordt, strijdig met de gedachte dat God alle mensen wil redden.

Over Gods rechtvaardigheid en de lengte van de straf

Sommigen beweren dat God niet alleen liefdevol, maar ook rechtvaardig is, en dat alleen een eindeloze straf aan Gods rechtvaardigheid zou voldoen, alsof Gods “liefde” en Gods “rechtvaardigheid” haaks op elkaar staan.

  1. Er is geen bijbelse grond voor de stelling dat het rechtvaardig is om fouten begaan in een tijdelijk leven te bestraffen met een oneindige straf.
  2. Een eindeloze straf staat haaks op het beginsel van proportionaliteit, dat de basis vormt voor rechtvaardigheid. Een eerlijk, rechtvaardig oordeel met een passende straf die leidt tot bekering, zodat slechte mensen rechtvaardigen worden in plaats van zondaren, is rechtvaardiger dan een eindeloze straf voor daden in een kort, eindig leven.
  3. De stelling dat een rechtvaardige straf een oneindige duur moet hebben, is daarom een theologisch verzinsel om te kunnen verklaren waarom een rechtvaardig God mensen voor altijd zou straffen.
  4. Een zonde waarvoor geen vergeving is, is niet een zonde die een oneindige straf tot gevolg heeft. Het is een zonde waarvoor straf noodzakelijk is, een zonde die niet ongestraft kan blijven. (Want vergeving betekent dat de straf verdwijnt.) In Matteüs 12 en Marcus 3 staat niet dat de straf oneindig (aidios) is, maar eonisch en in de eon.
  5. Wanneer Jezus over de straf spreekt, gebruikt hij niet de begrippen die de Farizeeën, die geloofden in een oneindige wraakstraf, gebruikten. In plaats van aidios (altijd) en timoria (wraakstraf) gebruikt Jezus aionios (een intensieve of lange periode) en kolasis (een corrigerende straf, een tuchtiging). Als Jezus in Matteüs 25:46 en Paulus in 2 Tessalonicenzen 1:9 een oneindige straf bedoelden, dan zouden zij het woord aidios gebruikt hebben.
  6. In Klaagliederen 3:31-32 staat: de Heer verwerpt niet voor eeuwig; als Hij leed berokkent, ontfermt Hij zich ook, zo groot is zijn genade.
  7. Jezus maakt (in Lukas 12:46-48, Matteüs 11:21-22 en Matteüs 23:14) onderscheid tussen zware straffen en lichte straffen. Een eindeloze straf kent per definitie geen gradaties, omdat het nooit ophoudt. Ook in Romeinen 2:5, 2 Korintiërs 11:5, 2 Timoteüs 4:14 en Openbaring 22:12 vinden we een gradaties van straf terug: “God zal een ieder vergelden naar zijn werken”

Over de vraag of iedereen een gelijke kans heeft wanneer alles afhangt van de vrije wil

Sommigen beweren dat een eindeloze straf eerlijk is omdat iedereen een gelijke kans heeft.

  1. Volgens sommigen is het eerlijk en rechtvaardig als God mensen een vrije keuze geeft om voor altijd naar de hemel of naar de hel te gaan, omdat iedereen evenveel kans zou hebben. Maar als de vrije wil de beslissende rol speelt, dan heeft niet iedereen evenveel kans.
  2. Mensen die in een christelijk gezin geboren worden hebben een oneerlijke voorsprong ten opzichte van andere mensen.
  3. Gebeurtenissen in iemands leven zorgen er vaak voor dat iemand het geloof kwijtraakt of nooit tot geloof komt.
  4. Sommige mensen worden oud en hebben ruim de gelegenheid om tot geloof te komen. Andere mensen sterven jong en hebben geen gelegenheid om tot geloof te komen.
  5. Er zijn mensen die nooit het evangelie gehoord hebben.

Over de “vrijheid” van de vrije wil

Sommigen beweren dat de eindeloze straf rechtvaardig is omdat mensen geheel vrij zijn om onafhankelijk keuzes te maken.

  1. Mensen hebben een slechts een beperkt vermogen om te redeneren en keuzes en alle consequenties te overzien.
  2. Het is onmogelijk om keuzes te maken zonder de keuzes te kennen. Alle kennis over keuzes en hun gevolgen is subjectief en gekleurd door eerdere ervaringen.
  3. De vrije wil is daarom zeer beperkt en niet in staat om objectieve onafhankelijke beslissingen te maken.
  4. Alle keuzes van mensen worden beïnvloed, niet alleen bij kleine dingen, maar ook bij belangrijke dingen.
  5. Mensen kunnen worden misleid door verkeerde informatie over God of door overheersende negatieve ervaringen.
  6. In veel dingen hebben we totaal geen vrije keuze: om geboren te worden, welke ouders we hebben, wanneer we ziek zijn of gezond, wanneer we sterven, of God ons echt redt, enzovoort.
  7. Veel mensen die het geloof verwerpen maken geen bewuste keuze tegen God of een bewuste keuze voor de hel. Het is bijvoorbeeld al geen bewuste keuze tenzij men er zelf van overtuigd is dat God bestaat.
  8. Als de vrije wil is verdorven door de zonde, dan is deze niet werkelijk vrij.

Over de “twee soorten wil van God”

Sommigen beweren dat de bijbel niet leert dat God echt wil dat alle mensen worden gered.

  1. Het is niet zo dat wanneer in de bijbel staat dat God wil dat alle mensen worden gered, dit enkel een “wensende” of “weerstaanbare” wil is in plaats van iets dat God echt werkelijkheid wil laten worden.
  2. Dat de mens ongehoorzaam is, betekent niet dat God het daarbij laat. Het verhaal van Jona illustreert hoe een ongehoorzaam mens uiteindelijk toch Gods wil doet.
  3. De suggestie dat als God zegt dat Hij iets wil en dit niet daadwerkelijk Gods wil is, maar God in feite iets anders wil, impliceert dat de bijbel dan niet de waarheid spreekt over God.
  4. Voor ‘willen’ bestaan twee Griekse woorden: thelo en boulomai. Beide woorden betekenen vrijwel hetzelfde en beide woorden worden gebruikt voor de wil van God om alle mensen te redden (thelo in 1 Timoteüs 2:4 en boulomai in 2 Petrus 3:9). Er is geen duidelijke reden vanuit de grondtekst om een onderscheid te maken tussen dingen die God wil en uitvoert en dingen die God wil en geheel aan de medewerking van mensen overlaat.
  5. Het verschil tussen twee soorten ‘wil van God’, namelijk Gods verborgen wil en Gods geopenbaarde wil, is enkel een theologische constructie om te kunnen verklaren dat mensen tegen Gods wil in kunnen gaan.
  6. Het onderscheid tussen Gods onweerstaanbare wil (Gods raadsbesluit) en Gods weerstaanbare wil dus is een onderscheid achteraf, een onderscheid dat gemaakt wordt op grond van theologische vooronderstellingen.
  7. Het onderscheid is mede gebaseerd op de aanname dat alles wat God wil onmiddellijk werkelijkheid zou moeten zijn, in plaats van dat alles wat God wil uiteindelijk werkelijkheid moet zijn.

Over de vraag of mensen zich kunnen bekeren

Sommigen beweren dat er mensen zijn die altijd tegen God zullen kiezen en die God niet kan bekeren.

  1. Er is geen bijbelse grond voor de visie dat mensen in staat zijn om iets nooit meer te willen, om nooit meer op een besluit terug te komen, nooit spijt te hebben van een keuze. Mensen kunnen altijd hun standpunten wijzigen en spijt krijgen van eerdere beslissingen.
  2. Voor de stelling dat de hel van binnenuit gesloten is omdat de verdoemden er zouden willen blijven is geen bijbelse grond.
  3. Voor de stelling dat het onmogelijk is om door de straf spijt te krijgen is geen bijbelse grond. Woorden als kolasis en kolazo impliceren juist dat bekering het doel is van de straf.
  4. Het is onjuist om de redding na het oordeel een ‘tweede kans’ te noemen. Het is een straf die uitmondt in bekering, niet een kans.
  5. Als mensen een vrije wil hebben en voldoende kennis over de keuzes en de consequenties, dan zullen ze altijd de keuze maken die hen het meest goed lijkt. Als zij dit niet zouden doen, dan zou de wil niet vrij zijn. De consequentie is dat zodra iemand ervan doordrongen is dat het beter is om gered te worden, diegene die keuze zal maken als hij een vrije wil heeft. Het is dus niet zo dat mensen met een volledig vrije wil voor altijd ‘in de hel zouden willen blijven’.

Over hoe de straf eruit ziet

  1. De meeste ideeën over hoe de straf eruit ziet zijn speculatie. Er is in de bijbel vrijwel niets concreets over te vinden.
  2. In het Oude Testament is er geen sprake van een scheiding tussen hemel en hel; enkel termen als ‘het dodenrijk’ (sheol) komen voor.
  3. In het Nieuwe Testament wordt voor hel de woorden hades (Griekse vertaling van sheol) en gehenna gebruikt. Wanneer hades wordt gebruikt dan heeft dat dezelfde betekenis als sheol in het Oude Testament. Gehenna werd vaker gebruikt als aanduiding voor een straf als resultaat van een oordeel in de discussies tussen verschillende Joodse theologische stromingen in de eeuwen voor de geboorte van Christus.
  4. Wanneer Jezus spreekt over het Gehenna, de buitenste duisternis, het onblusbare vuur, de worm die blijft knagen, dan is het beeldspraak om de ernst van de straf over te brengen op de luisteraars. Een onblusbaar vuur is als een onblusbare brand. Niet een vuur dat nooit dooft, maar een vuur dat niet geblust kan worden. Een vuur dat je als mens niet kunt tegenhouden, maar dat ophoudt met branden als God dat wil.
  5. De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus is een gelijkenis, met elementen uit de verhalen over het hiernamaals die in die tijd door de religieuze leiders geleerd werden. Het gaat er in dat verhaal niet om hoe hemel en hel eruit zien, maar onder andere dat de rijke man naar het vuur en de arme bedelaar naar de hemel gaat, het tegenovergestelde van wat de Farizeeën leerden.
Advertenties

Reacties zijn gesloten.